background image
Nu volgde Onze Heer en Verlosser, gebogen en zwankend
onder de zware last van het kruishout. Door de wrede geseling
geheel verscheurd, gepijnigd en afgemat, zonder gegeten,
gedronken of geslapen te hebben sedert het laatste avondmaal
van gisteravond, en sedert zijn gevangenneming voortdurend
dodelijk mishandeld, door bloedverlies, folterende wonden,
koorts, dorst, naamloze zielesmarten en angsten ten dode toe
uitgeput, kon Hij op zijn naakte, gekneusde voeten slechts
met de grootste moeite, langzaam en doorzakkend
vooruitkomen. Met zijn rechterarm omvatte Hij de zware
kruislast op zijn rechterschouder, terwijl Hij met zijn
linkerhand zijn lang kleed, dat zijn onzekere schreden
belemmerde, dikwijls moeizaam zocht op te nemen. Op een
afstand hielden de 4 beulen het einde van de koorden vast, die
aan zijn gordelboei bevestigd waren. De 2 die vooruitgingen
trokken Hem voorwaarts, terwijl degenen die achter Hem
kwamen, Hem ruw vooruitdreven100.
Zo was zijn gang geheel onvast en telkens opnieuw
verhinderden de rukkende touwen Hem zijn kleed voor zijn
schreden op te nemen. Zijn handen waren gewond en
gezwollen van de touwen, waarmee ze tevoren zo knellend
geboeid waren geweest. Zijn gelaat was bebloed, vol builen en
gezwollen plekken; zijn hoofdhaar en zijn baard waren
100 De voorste trokken, de achterste stieten. – Maria van Agreda:
“De gerechtsdienaren leidden Jezus voorwaarts met ongelooflijke wreedheid en
onbeschaamdheid. De enen trokken Hem bij de koorden voorwaarts om Hem
zijn schreden te doen verhaasten, de andere trokken naar achteren om Hem te
weerhouden en te plagen. Hun gewelddaden, samen met de last van het kruis,
maakten dat Hij dikwijls heen en weer waggelde en ten gronde viel.
Daar Hij bovendien tegen de stenen aanstiet, ontstonden bij iedere val nieuwe
wonde, in ‘t bijzonder aan de knieën.
Ook aan de schouder veroorzaakte de kruislast een nieuwe wonder.
(Deze wordt verder ook door K. vermeld, waarbij wij dan een opmerking
plaatsen).
En daar Hij heen en weer waggelde, stiet nu zijn kruis tegen zijn hoofd, dan
weer het hoofd tegen het kruis en zo drongen de doornen steeds dieper.” (Dit
laatste natuurlijk nadat men Hem de doornenkroon weer opgezet had).
Fascikel 31
399