background image
Jezus geneest zieke kinderen.
Deze morgen ging Jezus met enige leerlingen naar het huis van
Petrus vóór Kafarnaüm. Hij bezocht Petrus’ vrouw,
schoonmoeder en dochter, en daar zij in de zijgebouwen
verscheidene hulpbehoevende zieken uit barmhartigheid ter
verzorging hadden opgenomen, ging Jezus tot hen en genas
er enige van.
Hierna ging Hij op de markt van Kafarnaüm in het huis van een
tapijthandelaar. Vóór dit huis had hij op 11 april van dit jaar het
knaapje van een koopman (in koperwaren, nr. 1409) gezegend en
aan zijn leerlingen tot toonbeeld voorgesteld.
Dit knaapje was het, dat de latere bisschop van Antiochië en
martelaar Ignatius werd. Zijn vader woonde daar dichtbij.
Dit (= de tapijthandelaar en zijn vrouw) zijn brave mensen en
jegens Jezus’ Moeder en vrienden zeer liefdevol; ook voor Jezus
hebben zij de hoogste achting als voor een Profeet, die wel de
Messias zou kunnen zijn; zij hebben verscheidene kinderen,
welke Jezus in een gemoedelijk onderhoud
onderrichtte en die Hij ook zegende. Enige ervan
waren ziek en werden op verzoek van de ouders door
Jezus genezen.
Uit sommige van de kinderen zijn leerlingen van Jezus gegroeid
en zelfs heeft één van hen zich onderscheiden; hij was te Cesarea,
toen Paulus daar gevangen gehouden werd (Hand. 23, 23). Deze
had de H. Maagd altijd zeer lief gehad en vereerd. Ik meen dit
reeds eens gezegd te hebben.
Toen de ouders van het knaapje, dat op 11 april door Jezus
gezegend werd (fasc. 24, nr. 1204), en dat nu met dezelfde ziekte
te bed lag, de blijdschap van hun buren over de genezing van hun
kinderen vernamen, zonden zij iemand tot Jezus om Hem te
bidden ook hun zoontje te komen genezen. Maar Jezus ging er
heden nog niet naar toe.
Fascikel 26
2735