background image
Binnen was het donker en ik zag een joodse vrouw er in, in het
donker; zijzelf was donker om zich en in zich. Ook was zij
bedroefd en onrustig.
Daar kwam een man die ik in de huisdeur zag gaan
staan; zij naderde tot hem en nauwelijks had deze
iets tot haar gezegd, of zij hield ook een brandende
lamp in haar hand; het was als had die man haar
licht gebracht en als was Hij dezelfde Herder die het
verloren schaap gevonden en teruggebracht had; Hij
scheen mij een beeld van Jezus te zijn.
Zodra Hij weer vertrokken was, plaatste de vrouw de
lamp midden in het huis op een kandelaar; nu werd
het klaar en ook de vrouw werd helderder, reiner en
doorzichtiger.
Zij nam nu een bezem met fijn, lang borstelhaar en veegde uit alle
hoeken van het huis het stof en de vuilnis in het midden op een
hoop naar de schijn van de lamp toe. Nu doortastte zij het
met de vingers en ontdekte het drachme, dat nu ook
helder was en licht uitstraalde.
Opeens scheen het lichtende drachme midden in
haar borst en binnenste geplaatst, en hierop was
zijzelf nogmaals helderder, ja, het licht van de lamp
en van het drachme en haar eigen licht verenigden
zich in haar tot één licht; zij was door en door helder
en ook in het huis was het klaar.
Dan zag ik een andere vrouw tot haar komen en ook
deze buurvrouw werd door het licht van de huisvrouw
helder.
Nog meer andere kwamen, die op dezelfde manier
het licht ontvingen en helder werden. Geheel verlicht
waren zij vol vreugde en loofden God.
Fascikel 21
1876