background image
letterlijk verwezenlijkt. Want rondom de Tabor en daar in het
gebergte tussen Endor en Skytopolis, waar de bergen zo ordeloos
liggen en waar ik zoveel goud onuitgegraven onder de aarde zie,
hebben zij de heidenen niet verdreven en daarom is daar nu alles
een woestenij geworden.
De hellingen van de kleine Hermon en van het Gilboa‐gebergte 
onderscheiden zich in het algemeen door hun naaktheid, dorheid en 
onvruchtbaarheid; heel de kleine Hermon en vooral de top is, ter 
uitzondering van enkele plaatsen, kaal, steenachtig, met 
basaltblokken bedekt (cfr. Gal. I, 115; D.B. Moreh 2, k. 1278).   
Hetzelfde geldt voor Gilboa: “naakt en zonder water op zijn 
hoogvlakten: nu et sans eaux sur ses plateaux supérieurs.”  
(D.B. Gelboé, k. 156).   
Ik had in de dagen dat Jezus te Ebez en bij Endor was en ik Saüls
nederlaag zag, een omstandig gezicht van dat verward,
ingewikkeld en woest gebergte tussen Endor, Dotan, Skytopolis
en Aser-Mikmetat.
Ik zag daar zeer vele wilde ezels lopen en ik meen ook kamelen
gezien te hebben, die hun nog onbeholpen jongen bij de vlucht in
het gevaar met hun muil op hun rug hieven; misschien waren het
ook andere dieren. Bij die gelegenheid zag ik in die bergen veel
erts als goud schitteren, dat nooit ontgraven geworden is en
eensdaags nog aan het licht zal komen, indien ik althans bij
vergissing geen ander glanzend metaal voor goud genomen heb.
(Deut. 8, 9 somt onder de rijkdommen van Palestina op: koper dat
men kan delven uit de bergen). Ik kan de verwarde ligging, de
verstrengeling van dit gebergte nu niet meer beschrijven.
(Zou K. hiermee niet bedoelen wat in D.B. Gelboé, k. 156 uitgedrukt 
wordt met de woorden: “Escarpé au nord, avec des couches de 
terrains SINGULIEREMENT TOURMENTEES.” ???) 
Fascikel 21
1775