background image
haar leven eenmaal gekomen was. Toen zag ik daar nog
overblijfselen van Bahurim, een uur ten noordoosten van het
toenmalige Betanië, waar Jezus zich dikwijls uit Betanië kwam
verbergen; Hij begaf er zich ook heen, toen zij Hem in de tempel
wilden stenigen (Joa. 8, 59). Hij verbleef er verscheidene dagen
en Maria bracht Hem daar een bezoek.”
Bahoerim lag toen meer verborgen dan thans. Nu loopt de weg
naar de Jordaan daar voorbij. Er is daar (in de omstreek, nl. een
half uur van daar) een bron, de bron van de 11 apostelen genaamd
en daar ligt ook de rotsspelonk Rimmon (thans Rammoen, 13 km
meer noordelijk). In de grotten van Rimmon vluchtten de
Benjamieten, die aan de verdelging van hun stam konden
ontsnappen (Recht. 20, 47) en die daarna te Silo de jonge dochters
moesten overvallen om huisvrouwen te hebben. (Recht. 21, 15-
24).
Velen van hen vestigden zich hier te Bahoerim en daaruit is de
naam Bahoerim d.i. ‘Jongelingen’ ontstaan (zie nr. 440, voetnoot
202).
Hier heeft ook Semeï David vervloekt en met stenen naar hem
gesmeten (zoals boven gezegd, eerste week, 1e alinea).
Tot hier werd aan David zijn vrouw Mikol terug- en
tegengebracht (II Sam. 3, 16).
Tweede Week. –
Na ongeveer 8 dagen verliet Jezus Betanië; Hij ging noordwaarts
door Samaria naar het Meer van Galilea en voer er over aan het
zuidelijk einde, waar Hij na zijn verrijzenis verscheen aan zijn
leerlingen en vis met hen at (nr. 2083; Joa. 21).
Op de overzijde gekomen richtte Hij zich zuidwaarts naar
Soekkot in de streek van Ennon, waar Joannes weer was komen
dopen (1e doopplaats), na de middelste of 3e doopplaats boven of
ten noorden van Betabara verlaten te hebben.
Fascikel 13
621