background image
Was dat misschien niet om er bloemen in te steken? Ze geleken
niet slecht op korven. Op een zijtafel zag ik vele witte staafjes die
van been schenen te zijn, en ook lepels in de vorm van een diepe
schelp. Er was een handvatsel aan dat met een ring eindigde; ook
zag ik daar gekromde rietjes, wellicht om enig vocht ermee op te
zuigen.
In het midden van de zaal was een soort altaartafel opgericht, die
met een rood en een wit kleed gedekt was. Hierop was een
trogvormig, wit en rood gevlochten wiegekorfje geplaatst, dat met
een hemelsblauw kleedje bedekt was. Bij het altaar stond een
overdekte lessenaar, waarop perkamenten gebedsrollen lagen.
Vóór het altaar stonden vijf priesters uit Nazareth, alle vijf in
dienst- of ambtsgewaad, doch één van hen was voornamer of
hoger in waardigheid. Joakim stond naast hen.
Op de achtergrond om het altaar hadden vele mannen en vrouwen
uit Anna’s en Joakims maagschap (= bloed-, aanverwanten,
familiebetrekkingen; gezamenlijke verwanten, familie; verwantschap),
allemaal op hun best gekleed, post gevat.
waarmee de handen afgespoeld worden, vloeit er door en is onzichtbaar
voor de volgende gast, die zich de handen moet wassen.” (I, 180)
Fascikel 2
192